Smile! You’re On Facebook…

Facebook maakt Mensen Jaloers en Ontevreden [Onderzoek]

Uit onderzoek gedaan in een samenwerking tussen twee Duitse universiteiten blijkt dat meer dan een derde van de mensen na op Facebook bezig te zijn geweest rapporteert negatieve gevoelens te hebben. De belangrijkste reden voor deze negatieve gevoelens is volgens de onderzoekers te wijten aan jaloers zijn op de ‘Facebook-vrienden’.
Lees verder

Advertenties

Schermtijd Gaat Sneller – Hoe komt dat en hoe win je tijd terug?

De zomer van 2012 was weer een natte zomer. Maar ook een van vele records, op sportgebied en als gevolg daarvan sneuvelden ook natuurlijk weer media-records, vooral op social media gebied.
In tegenstelling tot wat je zou verwachten op basis van het weer deze zomer is er nog een opvallend record gebroken. Het aantal kinderen dat vermist raakt op de stranden en bij recreatiewater schiet dit jaar alle records voorbij, zo zei directeur Raymond van Mourik van Reddingsbrigade Nederland vorige week.De teller staat inmiddels op meer dan 1100, terwijl normaal gesproken gemiddeld in een jaar ongeveer 700 kinderen kwijtraken. Volgens hem gebeurt het tegenwoordig steeds vaker dat ouders zijn afgeleid door mobiele gadgets als smartphones en tablets.
Wat is hier aan de hand? Of in de hand eigenlijk? 
 

Technologie kan veel aandacht opeisen

De meesten onder ons zullen wel herkennen dat wanneer je verdiept bent in je mail of facebook, er wel eens wat langs je heen gaat. En dat je partner vervolgens ‘ineens’ een beetje geïrriteerd vraagt: “Luister je eigenlijk wel?” Het fenomeen dat zich hier voordoet wordt cognitieve absorptie genoemd. Onderzoek op dit vlak is vooral gedaan in situaties waarin sprake is van gebruik van informatietechnologie, en een diepe betrokkenheid van een individu met de software (Agarwal et al. 1997; Agarwal & Karahanna 2000). Cognitieve absorptie wordt beschreven aan de hand van vijf dimensies:
  • dissociatie van tijd, waarbij je een verminderd reëel besef hebt van de ‘echte’ tijd die verstrijkt tijdens je activiteit;
  • opgaan in de activiteit, de mate waarin je aandacht wordt opgeslokt door de activiteit;
  • het plezier in de activiteit;
  • de controle die je kunt uitoefen;
  • en nieuwsgierigheid.
Wanneer we naar een scherm turen, iets doen dat onze nieuwsgierigheid prikkelt, we er controle over hebben (dus zelf actief zijn, in tegenstelling tot een passieve activiteit als tv kijken), er plezier aan beleven en het een activiteit is waar we volledig in opgaan, dan is er ook sprake van dissocatie van tijd. Sociale media in combinatie met een smartphone is hier een uitstekend voorbeeld van.
Hieruit valt dus te verklaren dat wanneer we met onze smartphone of tablet op een strandbedje liggen, onze kinderen inderdaad wel eens aan onze aandacht kunnen ontsnappen. Ook omdat – vanwege de dissociatie van tijd – je het idee hebt dat je de kleine net nog op twintig meter van je vandaan lekker bezig zag met zijn zandkasteel.

Schermtijd gaat sneller

Wanneer je tijd doorbrengt achter een scherm verstrijkt de tijd voor je gevoel veel sneller. Zeker wanneer je in een staat van flow raakt, wanneer je ‘net zo lekker bezig bent’.
Nu kun je dit jammer vinden, maar accepteren, of proberen hier bewuster mee om te gaan. In het laatste geval zijn hier wat tips om tijd terug te winnen – al is het maar voor je gevoel:
  • Een actief klokje in je computerscherm, zoals Focusbooster. Dit is een time-management appje gebaseerd op de Pomodoro-techniek, waarmee je een timertje hebt meelopen in je scherm dat aftelt van 25 minuten naar nul. En dan een ‘five minutes’ break. Ik merk zelf dat dit me inderdaad helpt focussen, en aan het einde van de dag heb ik het gevoel heel veel te hebben gedaan. In dezelfde tijd;
  • Wanneer je geen klokje in je scherm kunt hebben, zoals bijvoorbeeld bij een spelcomputer, zet er dan een naast je scherm. Liefst eentje die ook actief kan aftellen. Ik zet bijvoorbeeld een iPad onder het scherm met daarop een app met een zandloper. Dat kan je helpen in de ‘echte’ tijd te blijven;
  • Je kunt ook natuurlijk je gadgets uitzetten, of wegleggen. Dit is een keuze om bewuster om te gaan met deze technologische hulpmiddelen. Realiseer je dat deze een functie dienen, en ja: dat kan en mag ook vermaak zijn. Maar kies bewust je momenten waarop je ze gebruikt. Voor je weet is het een automatisme geworden om ‘even te checken’, en zoals je weet: dat even rekt zich vaak uit.
Er is een beweging onder de noemer ‘SlowTech’, zoals hier beschreven in een artikel op Frankwatching.com die als voornaamste boodschap heeft aan de mens: technologie moet niet het doel zijn, maar een middel. Daar kan ik me helemaal in vinden. Technologie brengt ons geweldige dingen en nieuwe mogelijkheden. We kunnen op vele manieren met elkaar communiceren en aan alle informatie komen. Maar technologie brengt ook vele verlokkingen met zich mee, en we kunnen ons wel eens onvoldoende bewust zijn van de effecten daarvan. 
 
“It’s about finding the OFF switch”. En dan kunnen we onze aandacht richten op de juiste dingen op de momenten dat het nodig is.
Je weet waarschijnlijk wel wat ik bedoel.

Kijkers kijken nog steeds liever live TV

Volgens onderzoek gedaan door Digital Spy kijkt 75% van de kijkers nog bij voorkeur naar live televisie.

Tijdens een bijeenkomst van Atos afgelopen week over media-ontwikkelingen werd duidelijk – gesteld onder andere door mijzelf – dat het second screen en andere ontwikkelingen de kijkers weglokken van live televisie.
En het werd ook duidelijk dat deze ontwikkelingen en waar ze toe zullen leiden de mensen werkzaam in media danig bezig houden.

Het Engelse onderzoek wijst uit dat hoewel mensen bij voorkeur live TV kijken, bijna tweederde (59%) bezig is met een ‘tweede scherm’ terwijl ze televisie kijken. Internetten, email checken, spelletjes en natuurlijk Twitter en Facebook. Facebook is met een score van 44,6% in Engeland het populairste social media platform om tijdens televisiekijken te ‘kletsen’ uitzendingen, met een percentage van 39,8 die aangeeft (ook) Twitter daarvoor te gebruiken. Een zelfde aantal (38,6) geeft aan geen social media te gebruiken om conversaties te voeren rondom televisie-programma’s.

Toevallig is in Nederland door de Stichting Kijk Onderzoek (SKO) ook net een onderzoek gedaan naar het gebruik van een tweede scherm. Gelukkig realiseren zij zich blijkbaar ook dat de ouderwetse manier van kijkcijfers meten – via kastjes bij de TV – niet meer past in deze tijd. Zoals ook blijkt uit het recente persbericht dat de SKO samen met Ziggo en UPC een testproject gaan doen voor meenemen van andere manieren van TV kijken (via het web, met name de ‘gemist’-sites) in hun metingen.

Uit het onderzoek van de SKO blijkt, net als in het onderzoek van Digital Spy, dat het second screen vooral wordt gebruikt om te ‘multi-tasken’ (als dat de lading dekt). Second screens zijn dus geen vervanging voor televisiekijken, maar worden in parallel gebruikt voor andere dingen. Bijvoorbeeld om deel te nemen aan de totale conversatie over de uitzending, terwijl activiteiten die direct aan het programma gerelateerd zijn (de programma-app gebruiken bijvoorbeeld) slechts in kleine mate worden gedaan.

Wat een interessant verschil is tussen de beide onderzoeken is de mate van het gebruik van tweede schermen: 59% van de Engelse respondenten geeft aan regelmatig te kijken met een ‘second screen’, tegenover slechts 35% in het Nederlandse onderzoek. En ik maar denken dat Nederlanders altijd voorop lopen in adoptie van digitale ontwikkelingen.

Of zou het verschil te verklaren zijn door dat het net gepubliceerde onderzoek van de SKO al is uitgevoerd in september 2011, en dus bijvoorbeeld het het nieuwe seizoen van The Voice of Holland heeft gemist? In dit tweede seizoen van #TVOH is social media uitstekend ingezet om het programma meer diepte te geven en betrokkenheid te creëren, zoals ook te zien is in de metingen en analyses.

En The Voice is dan maar één voorbeeld. Het zou dus zomaar kunnen dat de de ontwikkelingen zo snel gaan dat een onderzoek van een half jaar oud naar deze materie in deze tijd niet veel meer waard is.

Mediapsychologie: Slecht nieuws is lekker

Waarom vinden we slecht nieuws interessanter om te horen dan goed nieuws?

Mensen klagen wel dat de nieuwsvoorziening alleen slechte berichten bevat. Zeker de laatste tijd met de turbulentie in het Midden-Oosten en de recente ramp in Japan .
Maar als we eerlijk zijn: wat willen we dan horen? Nu en dan zijn er initiatieven voor ‘goed-nieuws’-media, maar deze zijn vaak geen lang leven beschoren. Ook staan er wel eens mensen op, die een poging wagen deze neiging van de media tot brengen van slecht nieuws aan de kaak te stellen. Een mooi voorbeeld hiervan was in 1993, toen BBC nieuwslezer Martyn Lewis tijdens een conferentie zei dat 95 procent van de BBC nieuwsberichten negatief van aard was. Hij zei:

“The media report the war but lose interest in the peace, report the problem but not the attempts to find solutions, pander to that base human instinct which gives some people a vicarious pleasure in being voyeurs of disaster. News values are driven by the principle that the only news, the only manly news, is bad news”

Hij is overigens niet echt succesvol geweest in zijn campagne.

Zijn de media inderdaad zo negatief, en dan met opzet zo? Media-onderzoek wijst uit dat negatief nieuws in berichtgeving zo’n 17 keer vaker voorkomt dan een positief nieuwsbericht (Williams, 2009). Meerdere onderzoeken Negatieve berichten krijgen in media inderdaad prioriteit.

Een verklaring hiervoor is te vinden in de surveillance functie van nieuws (Shoemaker 1996). Mensen gebruiken media als een manier om bedreigingen in onze directe omgeving te monitoren. Iets wat hier op inspeelt is het noemen van het aantal Nederlanders dat bij een buitenlandse ramp vermist is. Dat brengt een bericht over nieuws op afstand dichter bij huis.

Aan de andere kant is er een theorie van Winnicot over de geruststellende kracht van media. De ‘comfort blanket’ waaraan we onszelf vastklampen om te bevestigen dat de wereld gewoon door draait. Dit toont aan hoezeer media een referentiekader voor ons dagelijks leven is geworden. Ook al stort de wereld in elkaar, zoals nu bijvoorbeeld in Japan echt het geval lijkt te zijn, wanneer in het bericht erna wordt gemeld dat de IPad 3 morgen gepresenteerd wordt, is de kijker gerustgesteld. Als er ruimte is voor dat soort berichten, kan het tenslotte allemaal niet zo erg zijn.

Zoals Sacha de Boer vanavond in het acht uur journaal zei: “Hoe wild de wereld ook is, vanavond is gewoon de aftrap van de Boekenweek in Amsterdam”.

Voor mij is het duidelijk: Mensen vinden slecht nieuws gewoon interessanter om te horen.
En in de strijd om oplage- en kijkcijfers spelen media hier graag op in.

Echte Mensen met een ‘Social Layer’

Via een vraag van een student werd ik gewezen op een nieuwe telefoon app die momenteel in ontwikkeling is: Recognizr. Dit is een augmented ID app waarmee je met je telefoon mensen kunt ‘scannen’ waarna je te zien krijgt welke sociale netwerken er aan deze persoon hangen (en eventueel ook adresgegevens).
Op het eerste oog lijkt dit een schokkende ontwikkeling, het Big Brother complex dat veel mensen hebben wordt hierdoor natuurlijk sterk geprikkeld. Als losstaand fenomeen is deze app niet wereldschokkend, maar wat betekent dit in een bredere context?

Deze ontwikkeling is onderdeel van een grotere trend, en deze heeft wellicht wel verstrekkende gevolgen. Die trend die ik hier zie is namelijk de verdere personalisering en mobilisering van informatie. Op elk moment en elke plaats kunnen mensen in toenemende mate beschikken over context-afhankelijke en relevante informatie.

Wat de impact hiervan is op de mens en de psyche is gissen, aangezien de ontwikkeling in de kinderschoenen staat. Op gebied van augmented reality is er nog weinig onderzocht. Misschien kunnen we wel een vergelijk trekken met virtual reality (VR), iets dat in de jaren ’90 nogal populair was.

De functie van een app als Recognizr is, naast fun, in eerste instantie gebruiksgemak. Je kunt langs deze weg makkelijk contact maken, en informatie uitwisselen met mensen die je tegenkomt. Bijvoorbeeld handig op beurzen of andere netwerkbijeenkomsten.

Door dit soort technologie wordt een extra laag – een extra dimensie – gegeven aan de fysieke werkelijkheid. Het is waarschijnlijk dat mensen in hun interactie met deze fysieke werkelijkheid beïnvloed worden, en dat dit naarmate de technologie verder vordert steeds meer onderdeel wordt van de mens en zijn waarneming van de werkelijkheid. Keuzes en beslissingen, en contact tussen mensen, zullen in het echte leven beïnvloed worden door een zichtbare sociale context.

Er zijn natuurlijk ook aspecten aan die om aandacht vragen van bijvoorbeeld wetgevers. Te denken valt aan zaken op gebied van privacy. Het gebruik van biometrische technologie is altijd een beladen onderwerp, omdat mensen natuurlijk niet zo makkelijk van gezicht veranderen als van email adres, om maar iets te noemen. En hierdoor is er al gauw een gevoel van ongemak of zelfs angst bij dit soort toepassingen. Er zal goed gekeken moeten worden wat alle implicaties zijn alvorens dit op de markt gebracht wordt. Volgens mij duurt het daarom ook lang voor we dit massaal in gebruik zien. Waarschijnlijk zijn de juridische en ethische aspecten nog lastiger dan de technologische.

Een interessant punt om verder over na te denken zou zijn: hoe zou deze technologie jezelf kunnen helpen in het dagelijks leven? En weegt dit voor jou dan op tegen de eventuele nadelen (zoals privacy).
Net als bij alles wat we doen, vooral gebruik makend van  mensen zijn altijd zelf verantwoordelijk voor het maken van de keuze om iets te gebruiken of niet. Gelukkig hebben we in onze maatschappij deze vrijheid. Het enige dat mensen bewust moeten doen is een afweging te maken wat voor henzelf de prijs is die ze willen betalen voor het gebruiken van functionaliteit. En hoe ze zelf controle houden. Want ook dat is iets van onze maatschappij: voor niets gaat de zon op.

Iedereen wil beroemd zijn – heb jij de X-Factor?

 

Morgenavond start het Nederlandse publiek na de enorme #TVOH rit gelijk door in een nieuwe serie van X-Factor. Is dat niet teveel van het goede? Of is er echt behoefte aan?

We leven in een tijdperk van celebrity culture, waar echt iedereen zijn 15 minutes of fame lijkt te krijgen. En waar mensen zelf niet de ster worden, lijkt het aanbidden van de ‘Idols’ de nieuwe religie.

Dus enerzijds streven mensen de beroemdheid na, anderzijds worden gewone mensen (‘someone like me’) binnen hele korte tijd gekatapulteerd tot grote sterren. En maar al te vaak doven die sterren met eenzelfde tempo. Omdat er weer een volgende zich heeft aangediend. Het huidige tijdperk van celebrity culture wordt gekenmerkt door ‘wegwerpsterren’.

Dat The Voice of Holland en X-Factor direct aansluiten in de programmering lijkt niemand heel raar te vinden. Maar aan de andere kant wordt het wel bemerkt, en worden de mensen die erbij betrokken zijn er wel over bevraagd. Zelfs RTL zelf vind het blijkbaar nodig, en acceptabel om het volgende op hun website te zetten:

Vergeet Ben Saunders en The Voice of Holland, vanaf vrijdag begint X Factor en wordt er gezocht naar nieuw zangtalent.

Maar is dit echt zo, zoeken naar nieuw zangtalent? Een redelijk bekende blogger/schrijver die ik volg op Twitter, Mitch Joel, tweette onlangs:

“I don’t think American Idol is about singing. It is about stories of hopes and dreams… and it’s nice.”

Volgens mij de spijker op zijn kop. Het gaat bij het programma Idols of X-Factor niet om zingen. Dat is in ieder geval niet het belangrijkste. Het gebrek aan zelfkennis en zelfbescherming zorgt in de eerste uitzendingen van de reeks voor amuserende televisie. De discrepantie tussen de mening van degene die auditie doet en de jury is soms schrijnend. En de persoon die wordt afgewezen moet af en toe afgeserveerd worden voordat hij of zij bereid is de auditieruimte te verlaten. Met publieke vernedering als onverwachte uitkomst van hun auditie.

Wat beweegt deze, voornamelijk jonge mensen om zich zo op nationale televisie bloot te geven? Maakt het ze niets uit? Nee, het lijkt erop dat ze vaak een beeld van eigen kunnen hebben ontwikkeld dat niet helemaal strookt met de gangbare normen van wat goed gevonden wordt. Een onderzoek van Pew Research Center (2007), toonde aan dat 81 procent van de 18-tot-25-jarigen (‘Generation Next’) aangaven dat hun top-doel is om ‘beroemd te worden’. Pew refereert aan deze leeftijdsgroep ook wel als de  “Look at Me” generatie.

Waar TVOH een kwalitatieve voorselectie deed, en vooral (semi-) professionele muzikanten en conservatorium studenten verder kwamen, en daarnaast een blinde auditie voor de jury had (de gimmick met de omdraaiende stoelen), laat X-Factor vooral iedereen toe die een shot to fame wil doen. Hoe afwijkend hun realiteitszin ook, misschien in de auditierondes zelfs wel: hoe afwijkender, hoe beter. Een van de meest in het oog springende voorbeelden van ”Look at Me” is wel de auditie van “Bikini Girl” bij American Idol. Inderdaad, ze heeft de bijnaam voor een reden gekregen. Wil je het zien, dan is hier een link naar het filmpje. Ze zegt zelfs: ”Look at Me”…

Later, wanneer de spoeling dunner wordt, wordt het talent (wat dat dan ook is) steeds belangrijker. Het allerbelangrijkste is echter, zoals we ook zagen bij The Voice of Holland, de populariteit van een kandidaat. Uiteindelijk komt het neer op de meeste stemmen, en is het meer een popularity-contest dan een talent show. Deze populariteit heeft vooral te maken met de gezochte ‘X-Factor’.

Wat is nu de X-Factor waarnaar vanaf morgen gezocht gaat worden? Is dit echt een ‘X’, of toch enigzins  te definiëren? De onderzoekers Rena Subotnik en Linda Jarvin hebben in hun onderzoek “Beyond Expertise – Conceptions of Giftedness as Great Performance” 80 respondenten ondervraagt over hun muzikale carrière. Drie belangrijke persoonskenmerken komen naar voren als voorwaardelijk voor het bereiken van de top: intrinsieke motivatie, charisma en muzikaliteit. De X-Factor bestaat uit deze drie basiskenmerken, aangevuld met andere factoren. Een logische complementaire kwaliteit is bijvoorbeeld fysieke aantrekkelijkheid. Wat ik hierin interessant vind, is het punt van intrinsieke motivatie. De mensen met authenticiteit en een oprechte wil muzikant te worden, zijn in tegenstelling tot de ‘look at me’s’ de kanshebbers voor de eindzege.

Het zou in ieder geval een mooi psychologisch veldonderzoek zijn om tijdens de auditierondes de deelnemers te ondervragen, te ‘profilen’ en degenen die doorgaan verder te volgen.

Misschien kunnen we niet allemaal beroemd worden, maar we kunnen er vast veel van leren.

De Psychologie van een Epidemie

Na de mediagolf van 2009 weer terug in het nieuws – de Mexicaanse griep:

In Nederland zijn in de eerste week van het jaar vier mensen overleden aan de Mexicaanse griep. Inmiddels zijn er 148 mensen opgenomen in een ziekenhuis met de ziekte, van wie het merendeel de afgelopen week. (bron: RIVM, 13 januari 2011).

Naast de Mexicaanse griep, wordt er ook breed aangekondigd dat ‘de Griepepidemie eraan komt’.

De griepepidemie staat voor de deur. In de eerste week van 2011 werden 87 griepgevallen op de 100.000 mensen gemeten, meldt het RIVM.

Google Flu trends is een project van Google.org (niet .com dus) dat aan de hand van zoektermen wereldwijd kan voorspellen of ergens sprake zal gaan zijn van een griepepidemie, en deze gegevens vervolgens vergelijkt met de daadwerkelijke situatie. De nauwkeurigheid van de voorspellingen lijkt  aardig groot te zijn.
Als we kijken naar Google Flu trends voor Nederland zien we dat de griepactivitieit in inderdaad hoog is (oranje kleur). Aan de donkerblauwe lijn kunnen we zien dat de huidige trend de piek van vorig jaar lijkt te volgen.

image

Wanneer we Google Insights for Search gebruiken om de trend in zoekgedrag te zien, kunnen we zien dat het ongeveer heel 2010 stil is geweest rond de Mexicaanse griep.

image

Nou, leuk allemaal, maar wat hebben we nu aan al deze informatie en media-aandacht? Gaan we door dit soort berichten binnenblijven?

Het verrassende antwoord lijkt te zijn: ‘ja’. Onderzoek naar aanleiding van de pandemie vorig jaar toont aan dat mensen daadwerkelijk hun gedrag aanpasten als gevolg van de berichtgeving (Goodwin et al., 2009), hoewel hier sterke regionale (cultureel-maatschappelijke) verschillen in bestonden. Zo was ruim een kwart van de respondenten ‘very concerned’ over de mogelijkheid zelf slachtoffer te worden, meer dan een derde verminderde het gebruik van het openbaar vervoer en bijna 40% zag af van geplande vliegreizen.

Maar hoe zit het met de vaccinaties tegen de Mexicaanse griep? In Nederland is er veel ophef over geweest, en aardig wat weerstand met name onder de groepen die min of meer verplicht werden een vaccinatie te halen (zoals mensen in de zorg). Blijkbaar was dit ook in Frankrijk het geval, zoals dit onderzoek aangeeft:

We found that alarming public health messages aiming at increasing the perception of risk severity were counteracted by daily personal experience which did not confirm the threat, while vaccine safety was a major issue. This dissonance may have been amplified by having not involved primary care physicians in the mass vaccination campaign.

De conclusie was dat de dagelijkse praktijk van mensen niet aansloot bij wat de overheid communiceerde. Diverse onderzoeken wijzen uit dat de perceived risk van de Mexicaanse griep vergelijkbaar was met de gewone griep, terwijl de perceived risk van het vaccin veel groter was. Omdat er veel vraagtekens waren bij de veiligheid van de vaccins, aangezien deze onvoldoende waren getest, was uiteindelijk de bereidheid tot vaccinatie laag. `

We moeten nog zien hoe deze nieuwe golf uitrolt, maar als we kijken naar de vorige keer kunnen we concluderen dat er veel maatschappelijke onrust is onstaan, maar het overgrote deel van de mensen na wat spierpijn, keelpijn en koorts gewoon weer de oude was. En in 2010 nooit meer omgekeken heeft.

Wat we verder moeten onthouden is dat elk jaar de ‘gewone’ seizoensgriep in de VS zo’n 30.000 sterfgevallen veroorzaakt. Vooral ouderen met klachten aan longen, hart of nieren. Het verschil met de Mexicaanse griep, volgens de berichtgeving in de media, is dat met name jonge mensen gevoelig blijken te zijn. Maar ook dan vaak in combinatie met andere klachten. Maar de beeldvorming in de media – nieuw virus, sterfgevallen jonge kinderen, etc. draagt zeker bij aan de angst die bij het grote publiek ontstaat.

Zelf ben ik trouwens ook niet ongevoelig voor media-beelden. Onderstaande foto in de krant was voor mij de doorslaggevende factor vorig jaar om te besluiten niet te gaan inenten…

Tot slot, wat doe je tegen de griep (ook volgens Google):
Griep (influenza) verspreidt zich door hoesten en niezen. Drie eenvoudige maatregelen beperken dit risico:

  1. Gebruik een papieren zakdoekje of dek neus en mond af met uw arm wanneer u hoest en/of niest.
  2. Was uw handen vaak.
  3. Blijf thuis wanneer u ziek bent. Raadpleeg zonodig uw arts en volg zijn/haar advies.
  4. Daaraan wil ik nog toevoegen: maak je vooral niet onnodig en voortijdig druk als gevolg van alle media-berichtgeving. Wat zou je doen als je al deze – vaak onduidelijke en onnodig sensationele – informatie niet had? Wat als je nu niet gaat googlen, twitteren, krabbelen… Juist.

    Zo simpel kan het zijn.